DOODT

ROUW(en) / HUIS (april, mei, juni 2021)
In korte verhalen

Een mama is zoals een huis. Dat zeggen ze. Sinds drie jaar ben ik het ook, een mama. En soms vraag ik me af wat voor huis ik dan ben. Eéntje met water in haar kelder? Met een grote speelzolder en een oude houten kist gevuld met herinneringen in de vorm van verkleedkleren? Of ééntje met een identiteitscrisis, een huis dat – bijvoorbeeld – liever een woonwagen was: geen fundering, maar een goed stel wielen om te gaan naar waar de wind haar blaast. // Mijn Oma’s waren huizen. Met een stevige ondergrond: beton en wapening. Schoon behang. Mooie plinten. Vloeren gemaakt uit het betere soort hout: eik. Toen de één doodging en de ander begon te vergeten, verloor ik niet alleen mijn Oma’s, ik verloor ook twee huizen. Twee havens. Twee warme, opgedroogde boezems om je in gedachten aan te laven tot de slaap je oogleden velt. Twee knisperende haardvuren om bij uit te huilen en te dromen. // Soms wandel ik nog voorbij die huizen en zeg ik stilletjes “dag huis” en dan vraag ik me af wie er nu zou wonen en wat voor vloeren er zouden liggen. 

Hij ligt in een hoek van de kamer te sterven. In een bed dat morgen weer van iemand anders is. Zijn ogen gesloten. Zijn mond open. Zijn adem in horten en stoten. Zijn gezicht van was. Een man van glas. “Dat is dus sterven,” denk ik, “in stilte moeite doen om los te laten.” Ze hebben hem een mooie paarse satijnen pyjama aangedaan. Dat troost

Moeder worden is toch ook een beetje doodgaan. En dan rouwen om jezelf. Het is met veel (af)geven en (af)vegen.

“Heb jij een Opa?” 
“Ja.”
“Twee opa’s?”
“Ja, net zoals jij.”
“Waar zijn die?”
“Die zijn weg.”
“Naar de winkel?”
“Neen.”
“Naar de dierentuin?”
“Neen, ze zijn naar een plek waar niemand hen kan bezoeken, maar ook niemand hen kan vergeten. Met veel groen gras.”
“Hebben ze pijn?”
“Ik hoop van niet.”
“En heb jij drie Oma’s?”
“Jij hebt er drie. Ik had er twee. En nu nog maar ééntje.”
“Waar is jouw Oma?”
“In een huis met veel andere Oma’s.”
“Kan ik haar zien?”
“We kunnen haar bezoeken. Zou je haar willen ontmoeten?”
“Ik wil naar het huis van de Oma’s.”
“Dan zullen we dat doen. Mijn Oma is wel al heel oud. Zo oud dat ze vergeet hoe oud ze is.”
“Wat is vergeten?”
“Dat is … uiteindelijk niet meer weten wie je bent.”
“Ben jij ‘vergeten’ door je Oma?”
“Ik denk dat ik ondertussen vergeten ben, ja.”
“Ben je triestig mama?”

“Een beetje.”

Is de aarde wel groot genoeg om iedereen te begraven? En leven wij dan op aardlagen van iedereen die ooit stierf?

De vroedvrouw vertelt me dat er drie soorten zoogdieren zijn: verstoppers, vluchters en dragers. Mensen zijn dragers. Ik wou vluchten, maar dat kon niet, want ik ben een mens en dus per definitie een drager.

Intimiteit uit zich soms in (sociale) onhandigheid. Terwijl mijn Opa in een hoek van de kamer ligt te sterven, beseft mijn Oom dat hij zijn fout geparkeerde auto moet verplaatsen, vraagt mijn Oma zich af wie die oude man is die in dat bed al ettelijke uren probeert om zijn laatste adem uit te blazen en zoeken mijn vader en broer een oplossing voor de klemmende schuifdeur van de kleerkast. Het gezamenlijk in stilte zoeken naar een manier om om te gaan met de dood die in de kamer hangt, bezorgt me een warm gevoel. ‘Het is warm, het is liefde,’ denk ik. En ik aai de stervende man over het voorhoofd, zoals hij dat ooit bij mij deed, en zeg hem dat hij niet alleen is – dat iedereen er is – en dat het goed met ons gaat. En ik denk dat hij mij hoort. Dat denk ik. 

Ik heb last met verdriet. Als kind schaamde ik me op de begrafenis van mijn overgrootmoeder voor mijn tranen. Dat is erfelijk. Mijn vader schaamde zich ook. Hij keerde ons de rug toe en liep weg, maar ik zag aan zijn schouders dat hij huilde. Ik bewonderde mijn broer die luidop naast mij zat te snikken. Is het dan niet erfelijk en eerder een kwestie van durf en overgave? Het ding is dat het er niet in één keer lijkt uit te komen, mijn verdriet. Het is alsof het lange tijd ergens ‘huist’ in mijn lijf. En zo af en toe ontdek ik het weer in de vorm van een verloren traan op mijn wang. Vaak als ik in de trein uit het raam kijk. 

Ik weet niet hoe mensen normaal gezien sterven, maar mijn Oma deed het terwijl ze – happend naar adem – haar begrafenis regelde op haar sterfbed. Met de rug gerecht de dood in de ogen kijken. Dat er genoeg wijn en filet de saxe moest zijn. En ze had ook een mening over wie er al dan niet naast elkaar mocht zitten aan de koffietafel om ‘ambras’ te vermijden. Conflictvermijdend tot in de kist, dat was ze. Wij knikten, snikten en noteerden, tussen een lach en een traan, alles op papieren zakdoeken vol snot. // En toen sloten ze ‘de zuurstof’ af. // En alle jaren die kwamen, maakten wij schaamteloos veel ambras.

Op de echo zie ik het heel duidelijk. 1,5 cm. Zo groot is het stukje placenta dat nog in mij zit. Een klein stukje vorig leven dat niet wilt lossen. En het moet eruit. Dat zegt de dokter. 

Ik wandel door het park met het nieuwe kind tegen mij aangedrukt in de draagzak. De zon schijnt. Er is een ijskar met ijs in drie smaken. Er is een speeltuin met kinderen in gele hesjes. // Overal zie ik nieuwe moeders. Op bankjes. In het gras. Op wandel. Onder parasols. Plots valt me op hoe alleen ze allemaal zijn. ‘Alleenige’ moeders. Met hun wallen, lekkende borsten en lijven met huid te veel. Misschien rouwen we stiekem een beetje om onze jeugd: onze buiken zonder striemen, onze borsten rechtop, onze vrije dagen zonder klok. // Het kind wordt wakker en ik leg het aan. Een andere ‘alleenige’ moeder wandelt voorbij: “Die is nog klein!” “4 weken,” zeg ik. “Het is pittig,” voeg ik aarzelend toe.  “Zij is 8 weken,” zegt ze. “Het wordt beter,” verzekert ze me. Ze wandelt verder. We lijken wel ‘hondenmensen’. Die groeten elkaar ook altijd in het park. “Hij bijt niet hoor!” // Mijn voeten zijn dood van het vele wandelen. Maar als ik stop, huilt het kind. Dus wandel ik verder. Naar huis

Als ze vergeten is dat hij ooit bestond – dat ze met hem getrouwd was, met hem kinderen had en hem een week geleden nog zag sterven – is hij dan wel gestorven? Of heeft hij dan nooit bestaan? 

‘Waarom huil je?” vraagt zijn petekind. “Omdat ik iets verloren ben dat me heel dierbaar is,” zegt hij. “Kan je het niet terugvinden?” vraagt het kind. “Sommige dingen zijn voor altijd verloren.” Nu huilt hij. Hij kan dat. Hij kan dat beter dan ik. // Enkele uren eerder hield hij mijn hand vast in een ziekenhuisbed in Frankrijk terwijl het kleine, prille vruchtje zich loste. Zich oploste als een aspirientje. In stilte, met de ramen open en een zomerhit op de radio, reden we terug naar het vakantiehuisje. Mijn ogen prikten. Rood. // En ik kan alleen maar denken: Nu ligt dat kleine nieuwe begin – dat kind dat ik al zag dansen en zingen – in mijn onderbroek. Voor altijd verloren. Was je die dan, die slip? Of bewaar je die, begraaf je die? 

Ondertussen zijn het er twee. Twee onderbroeken – dieprood – in gedachten verder levend onder de grond. 

Hij verliest zijn babyhaar. Ik merk het op terwijl ik hem in slaap wieg. Ik vraag me af of hij later snel zal kalen, zoals mijn vader. Dat is erfelijk. En ik realiseer me dat ik er misschien niet meer ben tegen dat hij kaalt. Dat ik hem zo nooit zal kennen: kaal en grijs en oud. Maar zo hoort het. Hij die mij overleeft. En niet andersom. En plots voel ik mij kwetsbaar. “Overleef mij,” fluister ik hem toe.

– 

We troosten haar met de gedachte dat we haar nooit zullen vergeten. Dat ze met en in ons zal verder leven. Maar ook wij gaan slechts één leven mee. En samen met ons gaat ook de herinnering aan haar dood. En zo wordt iedereen uiteindelijk vergeten. De harde realiteit is dat er ‘in the end’ niets van ons overblijft. Zelfs geen vage gedachte. Geen echo. // Behalve dan van Lucie, je weet wel, die eerste ‘mensenvrouw’ die ze vonden. Maar die was ingevroren ergens in een gletsjer. Dat telt dus niet. Want niemand kende haar écht. 

Zonet nog zong ze liedjes en maakte ze taartjes van badschuim. Nu is ze stil en boort ze met haar kleine vingertjes gaatjes in haar schuimtaartjes. “Wat is er?” vraag ik. “Ik ben triestig. Als iedereen ooit doodgaat, kan ik dan ook doodgaan?” Ik aarzel even. “Ja, jij kan doodgaan, maar nu nog niet. Ooit. Over een nog heel lange tijd. Eerst word je groot, dan langzaam grijs en dan pas ga je dood.” // Ooit. Althans dat hoop ik. Want het ding met doodgaan is dat het ook morgen kan gebeuren – heel plots-, maar dat zeg ik haar niet. // De dagen nadien was ze verdrietig. Alsof ze moest wennen aan het idee dat ze er niet altijd zou zijn. 

Ik ben nerveus. Zou ze me nog herkennen? Of zou ze me nu echt helemaal vergeten zijn? Ik weet hoe ze is. Het zou namelijk kunnen dat ze me niet herkent, maar doet alsof. Dat doet ze soms, omdat ze zich schaamt. Dat ik zeg “Dag Oma!” en dat zij zegt “Dag Kind” en dat ze de hele tijd denkt: Wie is die jonge vrouw met dat kind op haar lijf gebonden in een zak die me Oma noemt? //  Ze zit links in de inkomhal in een rolstoel. Wanneer is ze gestopt met stappen? // “Dag Oma,” zeg ik. En zij zegt: “Ik ben zo blij om u te zien kind! Ben jij speciaal naar hier gekomen om met mij te wandelen?” // Misschien deed ze alsof. Maar haar gezicht klaarde op en ik heb haar haar achterkleinzoon kunnen tonen. Dat weet ze morgen niet meer. Maar ze was me (nog) niet vergeten. En dus is ze er nog, mijn Oma. 

“Mama, mag ik met de bal spelen?
Ik snap haar wel. De witte, ronde urne met de assen van mijn grootvader blinkt aanlokkelijk in de vroege herfstzon. 
“Dag,” fluister ik. Want wat zeg je nog? En dan laten ze hem zakken onder de grond. 
“Dat is geen bal om mee te spelen, schat.”
In gedachten zie ik hoe ze hem van een berg rolt en er achteraan holt. En lacht. 
Ik lach.

Het kleine vogeltje ligt platgetrapt en uitgedroogd op de stoep. Ik zag aan hoe hij daar lag – bijna één met het asfalt, een vogeltje van moes – dat hij aan vele voetzolen van voorbijgangers had geplakt. Hoe oud zou hij zijn geworden voor hij uit het nest viel? Zes weken? Net zoals het kind dat nooit slaapt en dat ik dicht tegen mij aan draag? Uit het ei begin mei. Even zie ik het kind, plat en droog, op een tegel plakken met de sporen van honderd voetzolen. Een kind van moes. Uit mijn ei gevallen. 

“Hij is plots heel oud geworden. Hij ligt de hele dag in bed en kan niet meer praten. En zo ligt hij daar te wachten … tot hij sterft.” We wandelen door het kleine parkje om de hoek. Het kind slaapt. Ik ben stil. Hij gaat verder: “Waarom nog in leven gehouden worden, denk ik dan. Wanneer regel je zoiets. Zet je zoiets dan op papier? Stel dat hij niet meer wilt, maar het gewoon niet meer kan zeggen?” // Met ‘zoiets’ bedoelt hij: kiezen voor het einde en er niet op liggen wachten. We wandelen verder. En hebben het over hoe vreemd het is om stilletjes het leven uit mensen te zien glijden, waar je ooit naar opkeek. En dat onze ouders nu de volgende generatie zijn. En dat het daarna aan ons is. En we wandelen verder. En de zon schijnt. En de rozenstruik staat in bloei. En het kind slaapt aan het begin van een heel leven. 

Als je niemand meer herkent. Je niet meer weet wat aanraken is en schrikt van je eigen stem. Je vergeet dat pis iets is dat je ophoudt en water iets is dat je doorslikt. Je de sporen op je lijf van het kind dat je ooit baarde niet meer kan plaatsen en je zoekt naar de kat die vijftig jaar geleden werd doodgereden door een bus. Je niet meer weet dat het jouw gezicht in de spiegel is en bent vergeten dat de rits van een broek vooraan hoort en bedoeld is om ze te sluiten. Je wel nog het lievelingslied van je vader meezingt, maar niet meer op de naam van je zoon komt. Als je hoofd uiteindelijk ook je eigen bestaan uitwist en je niet meer reageert op je eigen naam. Leef je dan nog? Of ben je zoals een leeg huis. Waarin foto’s van vroeger op de schouw verbleken. Behang afbladdert.