DEVICKY.

Wax The Pain Away

Fragmenten uit ‘DEVICKY. (wax the pain away )’

LIBRETTO

Kleine lekke Vicky. Vette sicky suck it. Kleine fucky fik it. Lekke natte fikkie.
Fik fik, in de fik.  Fik it, Vicky, in de fik.
Ik lak nagels, ik wax weg. Ik lach, verga, heb pech.
My God lekke Vicky. My God natte dikkie.
Kleine Vicky, arme sicky.
Ik droom wel – droom ik? – van warmte en geluk. Maar ik bijt – fuck it Vicky – mijn tanden fucky stuk.
Ik hef mijn glas. Loop in de pas. Ik drink van’t vat. En wax mijn gat.
Adieu, zeg ik.Ik buig, ga af. En graaf mezelf gestaag in het graf.

VERTELLING

Ze ligt daar en staat nooit meer op.
Ze ligt daar, staat nooit meer op en is naakt.
Naakt?
Naakt, ja.
Ze is dus naakt.
Of nee, ze is bedekt met haar.
Haar?
Haar, ja.
Over haar hele lijf. Lang, zwart, haar. 
Is ze zacht?
Ze is zacht.
Hoe weten we dat ze zacht is? 
Ik bedoel: wie heeft haar gevonden?
En heeft wie haar gevonden heeft haar ook aangeraakt? 
Iemand heeft haar gevonden en aangeraakt.
Is ze dood?
Neen.
Ze ademt. 
Heel diep en langzaam.
En ze ronkt.
Ronken?
Diep vanbinnen.
Diep vanbinnen ronkt ze. Ja, mooi ja.
Dus, ze is niet dood.
Dood is ze niet. Ze staat gewoon niet meer op.
Ze staat nooit meer op.
Of nee, ze heeft beslist nooit meer op te staan. 
Ze heeft beslist dat het beter is zo.
Het was geen beslissing.
Neen?
Het was een gevoel. Een moment van overgave. Een moment waarop ze dacht: ik voel de drang om me neer te leggen … 
Neer te vleien … 
Neer te vleien en nooit meer op te staan.
Of … om te vergroeien met.
Te vergroeien met. Ja, mooi.
Mooi, ja.
Dus ze is niet dood.
Wat is ze dan wel? 
Ze is iets geworden. 
Iets tussenin.
Iets …
Iets …
Iets zonder vorm. 
Zichzelf?
Een berg haar die ronkt.
Schijt en stinkt.
Nee, ze reinigt zichzelf. 
Als een kat.
Ze is als een kat?
Als een kat die zichzelf schoonlekt.
Een slang die vervelt? 
Als een baby mammoet. 
Als een spons.
Als een zichzelf in stand houdend organisme.
Iets van in het prille begin.
Je bedoelt iets dat er eerst was voor al het andere?
Zoiets, ja. Zij is een begin. Een nieuw begin.
Zoiets dat je enkel onder de microscoop ziet. 
Zoiets dat later – vergroeid met een rots – teruggevonden wordt.
Een hiëroglief.
Is ze gevaarlijk?
Het zou goed kunnen dat ze gevaarlijk is. 
Het zou spannend zijn moest ze gevaarlijk zijn. 
Voor wie?
Voor ons. Hier. Buiten.
Laten we zeggen dat ze zou kunnen bijten. 
Laten we niet vergeten dat ze heeft gemoord.
Ja, we vergeten soms dat ze heeft gemoord. 
We vergeten niet, we vergeven. 
Op het hoogtepunt van haar lastig aan te ziene ‘alleenigheid’ moordde zij. 
Zij deed dat eerst met haar handen, die zich zo net gepast rond de hals sloten.
En dan met haar volle gewicht. 
Het leverde haar wel iets op.
Tranen, warmte, voldoening en zelfvertrouwen. 
Ze overwon iets.
Zo zou je het ook kunnen bekijken. 
Zij slorpte op. 
Niemand heeft ooit een lijk gezien.
Het smolt met haar samen.
Zij versmolten. Zij werden één. En dat was genoeg. Goed genoeg.
Hoe voedt ze zichzelf?
Zij houdt zichzelf in stand. Onophoudelijk veranderlijk alternerend in vorm.
Ze vervormt dus.
Ja, zoiets. 
Als een blubber?
Een prachtige kwak. 
Ze zuigt bacteriën van haar huid, eet het vuil van onder haar nagels, plukt vlooien uit haar haar. 
En die plek?
Die wat?
Die plek?
Oh, dat salon.
Ja, dat salon.
Daar vergroeit ze mee.
Of nee, dat overgroeit ze.
Zoals het bos in Tsjernobyl.
Over een paar jaren is het helemaal verdwenen.
Alsof het er nooit is geweest.
Alsof het er nooit is geweest, ja. 
Zo enorm is zij. Zo alles overheersend.
Maar niet met dwang.
Nee, dat niet. Zij dwingt niet. Verpulvert niet. Zij trekt aan. 
Vanuit het verlangen met alles verbonden te zijn. 
Is er wild?
Wild?
Ja, wild … wilde dieren.
Er is een hert.
Zo met een gewei.
Ja, ze zeggen dat er een hert is. Sommigen hebben het gezien.
Wat doet het daar?
Het waakt over haar.
Of het lekt haar schoon.
Dus, het waak over haar en lekt haar schoon. 
Ze hebben een eigen taal.
Handig.  
Wat is het doel? 
Is er een doel?
Het moet. 
Ze onttrekt zich.
Aan wat? Aan wie.
Aan ons. 
Dat doet ze. 
Zijn wij zo erg?
Ja, wij zijn erg ja.
Zie je dat dan niet?
Ik zie het niet, maar ik voel ergens wel – als ik echt heel eerlijk ben met mezelf, wanneer je me pakt op een moment van totale, complete oprechtheid – dat we hard zijn.
We zijn hard, ja. Voor elkaar.
Hoe denken we nu over haar? 
Valt er nog iets te denken?
Altijd. Het hoofd staat nooit stil.
Meer dan ontzag, bestialiteiten of schunnigheden?
Wat met schoonheid?
Of begrip. 
Dieper verbondenheid.
Vreemde intimiteit.
Moeten we nog iets denken? 
Is dit al niet vermoeiend genoeg?
Is het niet allemaal ijdelheid? 
Misschien moeten we haar laten. Ze is vredig. 
Hoe is ze zo geworden?
Ze vond zichzelf goed genoeg. 
Is er een bijsluiter? Een zelfhulpboek? Een goeroe?
Kan men dat van zichzelf vinden? Of praat men zichzelf dat aan? Of is het een beslissing: nu ben ik goed genoeg.
Zij vond dat.
Ze heeft ervan afgezien.
Ze heeft het besloten.
Dat heeft haar bevrijd. 

Dat kan bevrijdend zijn, ja.
Zal ze vergaan? 

Traag.
Maar uiteindelijk wel.
Zoals alles. 

Maar zij als laatste.
Dat zou kunnen ja.
Dat zou wel eens kunnen. 

Laten we het haar gunnen.
De rust, de vergankelijkheid en het goed genoeg zijn. 

Zij is een soort volgend stadium. 

De aarde gaat in de fik.
Het is hier al warm. 
Mensen bakken op stranden.

VICKY

De wereld daarbuiten is ook maar de wereld omdat wij zeggen: dit is de wereld. En de mensen zijn zo. En alles is even echt. En toch gaat alles voorbij. En dat zijn de hokjes. En iedereen troept dan samen en roept ‘zo zijn de hokjes!’. En ze schrijven op bordjes hoe ze het willen en hoe ze het niet willen. Zo! Of zo! Of nee zo! En dit en dat. En dat ook want dat is in feite ook wel belangrijk. En die bordjes zijn van karton. En als het regent dan wordt dat wak. En ze spugen. En ze breken ramen. En ze fikken dingen. En ze raken mij aan en doen mij rillen. En ik wil wel maar ook niet. En ze klimmen over en onder mij heen. Ze werpen mij neer met honderd, nee duizend, nee met veel. Ze drukken mij plat. En ze knijpen in mijn gat. En ze kijken tot aan het einde van mijn hol. En ze trekken aan mijn haar. Zuigen aan mijn nagels. En ze willen mij glad.

ANITA

Wat als ik u gewoon zou laten staan? Mij zou omdraaien, wegwandelen, de boodschappen in de koffer zou laden, alsof gij nooit had bestaan. Ik zou u kunnen weggommen. Ons ‘ontmoederen’. Ik zag hoe een prachtige grote vrouw u vond, u troostte, u suste en zo zonder grote moeite bij u paste. Zij pakte u op. Met inleving. Gij kroop tegen haar aan. Bij haar zag ik voor het eerst een kind én een moeder. In haar armen leek gij zo breekbaar. Ik kon u niet dragen, Vicky. Misschien was het beste leven dat ik u had kunnen geven een leven bij een moeder wiens armen wél groot genoeg waren.

SORAYA & MARLEEN

Marleen 
Ons bed?

Soraya
Ons bed, ja. Dat wil ik. Wij met twee. En anderen. We zijn met veel. Een soort nest van vrouwen. We hangen op en aan takken van bomen in het laatste bos. We houden elkaar warm en luisteren wanneer je voorleest uit dat boek. 

Marleen 
We herschrijven het, want het kan altijd beter.

Soraya
Jij bent daar iets dat het woord ‘opper’ bevat. Opperlijf, oppermens, opperkut. Groot, sterk, bazig en nat. Heel nat. Het water is nooit op. En wij drinken u, wassen ons in u. Gij zijt zoet water. 

Marleen
Ik ben een beek.  De laatste beek. 

Soraya
Af en toe passeert een man met een harde piet. En die mag even blijven. Maar alleen als wij het willen. 

Marleen 
En enkel als de piet hard is. 

Soraya 
We schuiven voor hem aan. We zijn meedogenloos. 

Marleen
Hoog tijd. 

Soraya
En na een tijd groeit er in het laatste bos haar uit onze navel. En zo schommelen we aan takken.